VOC ging niet failliet door corruptie

De Tien Tijdvakken - Tijd van Regenten en Vorsten

De Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) ging niet, zoals vaak is beweerd, ten onder aan de corruptie van haar medewerkers. Hun jacht op persoonlijk fortuin hielp de Compagnie in haar nadagen juist het hoofd boven water houden. Deze verrassende visie op de ondergang van Neêrlands trots in vroegmoderne tijden wordt ontvouwd in het boek In the Shadow of the Company, waarop de historicus Chris Nierstrasz gisteren promoveerde in Leiden.

De VOC was in de 17de en 18de eeuw het grootste handels- en scheepvaartbedrijf ter wereld. Deze eerste multinational had het monopolie op Indische specerijen als peper, kruidnagelen, foelie en nootmuskaat en verhandelde meer dan honderd andere Aziatische producten. De Compagnie had duizenden werknemers in dienst, bezat een kleine dertig kantoren in Azië, zes kamers (afdelingen) in de Republiek en een vloot van meer dan honderd schepen. Aan het einde van de 18de eeuw ging de VOC failliet. In 1799 werd de onderneming genationaliseerd en nam de Bataafse Republiek alle schulden en bezittingen over.

Er is veel geschreven over de oorzaken deze teloorgang. In de tweede helft van de 18de eeuw raakte de VOC financieel uitgehold. De Compagnie had zich ontwikkeld van een handelsonderneming tot een pseudostaat met een aanzienlijk grondgebied en gestaag oplopende bestuurskosten. Intussen daalden de inkomsten door concurrentie van andere Europese machten en Aziatische vorsten en een verschuiving in het goederenpakket voor Europa, waarbij de winstgevende specerijen werden verdrongen door goedkope massaproducten.

De Compagnie zou veel inkomsten hebben gederfd door corruptie van haar eigen mensen. VOC-dienaren wilden in het voor hen ongezonde Oosten zo snel mogelijk fortuin maken, waarbij ze het monopolie van de Compagnie ontdoken en zich schuldig maakten aan ‘lorrendraaierij’, sluikhandel voor eigen rekening. Deze illegale praktijken berokkenden de VOC zoveel schade, zo heet het, dat ze is ‘Vergaan Onder Corruptie’.

 

De relatie tussen de Compagnie en haar dienaren in de Oost was ingewikkelder, ontdekte Nierstrasz. Hij onderzocht de privé-archieven van VOC-dienaren en vergeleek die met het beeld dat opdoemt uit het archief van de Compagnie. Zo ontdekte hij dat de VOC in de laatste decennia van haar bestaan juist zwaar heeft geleund op de privé-handel van zijn lokale medewerkers om de snel oplopende kosten van bestuur en van de verhevigde concurrentie met de Britse East India Company te bekostigen.

Vanaf 1730 kende de VOC een financieringstekort. De bewindhebbers in de Republiek wilden geen nieuwe aandelen uitgeven om de macht niet met anderen te hoeven delen. Daarom vielen ze terug op het financiële kapitaal en de connecties van de eigen medewerkers, die deze dankten aan sluikhandel.

De VOC profiteerde van deze, formeel verboden, praktijken, omdat het fortuin van de ‘lorrendraaiers’ via VOC-wissels naar de Republiek moest worden gestuurd. De Compagnie gebruikte deze wissels om goederen te kopen in Azië. Die werden in Europa verkocht voor rekening van de Compagnie en daarna kregen de dienaren hun geld plus rente terug. In haar nadagen accepteerde de Compagnie steeds grotere injecties privékapitaal om de ‘retourvaart’ van Aziatische producten naar Europa te financieren. Dat de VOC-dienaren steeds meer hun eigen gang gingen, was dus eerder een gevolg dan een oorzaak van het verval van de Compagnie.

De dissertatie van Nierstrasz is de laatste in een rij van achttien proefschriften die tot stand kwamen in het kader van TANAP (Towards a new age of partnership), een door NWO gesubsidieerd programma van de Universiteit Leiden en landen waar de VOC kantoren had.

Bron: NRC Next

Een samenvatting van de dissertatie over de VOC is hier te lezen (pdf-bestand)

We hebben 19 gasten online